Hits | Laatste update: vrijdag 31 maart 2017 |
Bomen en hun leefomgeving!

Bomen en hun leefomgeving

Bomen spelen een belangrijke rol in het aardse ecosysteem, waarbij ze onder andere zuurstof vrijgeven aan de atmosfeer. Op fysiek vlak onttrekt een boom onder andere water, mineralen, koolstofdioxide en zonlicht aan de omgeving en vormt daarom zijn stam, takken, bladeren en vruchten. Behalve zijn fysieke systeem heeft een boom ook een energetisch systeem en beïnvloed daarmee zijn hele leefomgeving.

Een boom heeft net als ieder ander levend wezen een energieveld om zich heen met een doorsnede van een aantal meter, afhankelijk van de gesteldheid en de leeftijd van een boom. Dit energieveld bevindt zich voor het belangrijkste deel in de fysieke boom zelf en heeft daar omheen verschillende lagen waarbij de energieconcentratie stap voor stap afneemt. In het centrale energieveld van een boom bevinden zich meerdere energieclusters waaronder één in de stam vlak boven het aardoppervlak, één ongeveer tussen de 2 en 4 meter boven de grond in de stam en één hoger in de boom net onder de kruin in het midden van de boom. Deze energieclusters maken deel uit van een verticale energie-as van de kruin van een boom tot net onder de wortels. Deze energie-as heeft aan de onderzijde een verbinding met de aarde en in de kruin een verbinding met de kosmos. Een boom vormt op die manier een aards-kosmische antenne waarmee die met kosmische inspiratie, aardse materie en zijn eigen innerlijke krachten zijn eigen energieveld(en) vormt.

Net als de mens heeft een boom een bewustzijn waarmee een boom in een bepaalde mate op een bepaalde manier zich bewust is van zijn directe omgeving.Een mens heeft denkvermogen en een actief interactievermogen, waardoor die kan scheppen, denken en bewegen in zijn leefomgeving. Een wild dier heeft geen denkvermogen zoals een mens dat heeft, maar heeft wel een actief interactievermogen ten aanzien van zijn omgeving en kan zich vrijelijk verplaatsen. Een boom heeft geen denkvermogen zoals een mens dat heeft, ook geen actief interactievermogen om zich op basis van de eigen impulsen te verplaatsen zoals dieren en mensen dat kunnen, maar heeft wel een passief interactievermogen waarmee die reageert op veranderingen in de omgeving. Een boom weet op die manier hoe die binnen zijn eigen mogelijkheden kan reageren. Dit laat hij voor ons duidelijk zichtbaar merken door bv het vormen van knoppen, bloemen, vruchten en bladeren op het fysieke vlak, maar ook op energetisch vlak reageert hij op de omgeving door het aanpassen van zijn energieveld.

Een boom is geen op zichzelf staand organisme, maar heeft een goede omgeving nodig om goed te gedijen. Om als boom goed te kunnen groeien heeft deze ruimte nodig. Een boom neemt ruimte in beslag die steeds verder uitdijt naar gelang de boom groeit. In deze ruimte die de boom met zijn energieveld inneemt, beïnvloedt een boom continu de daar aanwezige energie en zorgt er voor dat de energie steeds meer op zijn eigen energie gaat lijken. Ze cultiveren op hun manier de omgeving en stabiliseren en verbeteren daarmee de eigen omgeving. In de natuur zijn bomen de organismes die dat het sterkste kunnen en vormen zowel op ecologisch als energetisch vlak de longen van de aarde.

Een boom doet dit niet in zijn eentje maar samen met z'n volledige leefomgeving. Door zijn energieveld staat hij in contact met andere bomen en andere organismes in de omgeving en vormt met hen één energieveld en één groot organisme tegelijkertijd. Op die manier schept een boom samen met andere bomen in een bos een groot energieveld. Een boom groeit en transformeert op zijn eigen plek de energie, maar is zich tegelijkertijd (op zijn manier) bewust van zijn positie in het bos, de soortenrijkdom en alle andere energievelden waar die mee in verbinding staat via het morfisch veld.

Een boom heeft met de vele andere organismes in zijn leefomgeving en daarbuiten een gemeenschappelijk belang. Samen met zijn leefomgeving maakt een boom deel uit van verscheidene kringlopen en zijn de diverse organismes in een gebied sterk afhankelijk van elkaar om zelf te kunnen voortbestaan.

Bomen hebben op hun manier ook een levensdoel waarom ze bestaan. Ze leven om daar te groeien, om de energie vorm te geven, om zich voort te planten en in verbinding te zijn met de aardse leefomgeving om zichzelf te ervaren in wie ze zijn. Ze groeien uit tot een boom, ze zorgen voor hun voortbestaan en met hoe ze in de wereld staan ontdekken ze wie ze zijn.

Door dit groeiproces dat bomen net als alle andere levende organismes (ieder op hun eigen manier) hebben, verrijken ze zichzelf en hun leefomgeving. Een leefomgeving komt letterlijk en figuurlijk beetje bij beetje tot bloei wanneer dit groeiproces van levende organismes (waaronder bomen) zich verder kan ontwikkelen en ontplooien.

Ieder levend wezen schept zijn of haar leefomgeving door uiting te geven aan de persoonlijke eigenschappen waar ieder levend wezen mee verrijkt is. Een boom heeft een leefomgeving nodig om te kunnen zijn en om te kunnen groeien in wie die is, en tegelijkertijd vormt een boom op fysiek en energetisch vlak een eigen leefomgeving voor zichzelf en voor allerlei andere levende organismes en wezens om hem heen. Bomen en het andere leven dat ergens leeft en groeit, vormt samen met elkaar samen een ecosysteem en tegelijkertijd een ruimte voor ander leven om daar zelf ook tot bloei te komen.

Zodra een boom ziek wordt zegt dat iets over de directe omgeving waar deze boom staat. Zijn er in een stad vele bomen ziek dan zegt dit iets over het leefmilieu van deze stad. Een hele natuurlijke reactie met verstrekkende negatieve gevolgen als we daar helemaal niets tegen gaan doen. Vraag is dan ook hoeveel voorbeelden we nog nodig hebben om te gaan beseffen dat wij zelf verantwoordelijkheid zijn voor een betere en duurzamere leefomgeving.

Schiedam, 31 december 2011

Terug naar het overzicht.